Dutch-German false friends

From UniLang Wiki

Jump to: navigation, search

False friends in Dutch and German

Dutch and German are two closely related germanic languages, and they share many words in their vocabularies. These words mostly have the same etymological history and meaning, although they are often spelled differently. However, some of these are false friends that have a slightly different or a completely opposite meaning. German is an obligate foreign language in schools in the Netherlands and Flanders, and there are many Germans (and some Swiss and Austrians) living in the Netherlands and Flanders that have learned Dutch. Mistakes are frequently made, sometimes leading to funny or embarrassing situations. It can become even more complicated with regional dialects, especially on both sides of the language border. In the east of the Netherlands the word "slim" has the same meaning as the German word "schlimm", i.e. "bad", whereas in standard Dutch it means "smart". However, in this section only false friends from the standerd languages are listed.


In the table below you can find a number of these Dutch-German false friends. In some cases only the figurative or colloquial meaning differs while the literal meaning is the same.

False friends in het Nederlands en het Duits

Nederlands (Dutch (E), Niederländisch (D)) en Duits (German (E), Deutsch (D)) zijn twee nauw verwante Germaanse talen, die tal van woorden gemeen hebben. Deze woorden hebben meestal dezelfde etymologische oorsprong en betekenis; nochtans worden ze vaak verschillend gespeld. Een aantal woorden zijn “false friends�?:ze hebben immers een licht afwijkende of soms een helemaal tegengestelde betekenis. Aangezien Duits een van de vreemde talen is die in tal van secundaire scholen in Nederland en Vlaanderen onderwezen wordt en aangezien heel wat Duitstaligen in Nederland en Vlaanderen verblijven, worden heel wat fouten gemaakt, die soms tot grappige of vervelende situaties kunnen leiden. Het wordt helemaal gecompliceerd wanneer ook onderling in de talrijke dialecten van het Nederlands taalgebied, maar ook van het Duits, zich hetzelfde fenomeen voordoet. Een voorbeeld: “slim�? (Nederlands) en “schlimm�? (Duits). Het woordje “slim�? heeft in het oosten van het Nederlandstalig gebied dezelfde betekenis als het Duitse “schlimm�?: erg, kwaad. Terwijl het in het standaard-Nederlands thans “pienter, wakker van geest�? betekent. In het Middelnederlands sloot de betekenis van slim dan weer aan bij de huidige Duitse betekenis. Hieronder vindt u evenwel slechts voorbeelden van “false friends�? uit de standaardtalen.


DUTCH GERMAN ENGLISH
1. bellen anrufen, klingeln to telephone, ring
blaffen bellen to bark
2. geweldadig brutal brutal, violent
brutaal frech, vorlaut rude
3. het bureau der Schreibtisch desk
het kantoor das Büro office
4. doof taub deaf
stom doof stupid
stom stumm dumb, mute
5. het blik die Dose can
de doos der Karton box
6. de egel der Igel hedgehog
de bloedzuiger der (Blut)Egel leech
7. afgelasten einstellen, stornieren to cancel
instellen einstellen, regulieren to set up
aanstellen einstellen, anheuern to hire
8. eng gruselig scary, spooky
nauw eng narrow
9. herkennen erkennen to recognize
erkennen anerkennen to acknowledge
10. fout falsch wrong, false
vals (zingen) schief (singen) falsely (to sing)
vals hinterlistig nasty, awful
11. schermen fechten to fence
vechten kämpfen to fight
12. fikken brennen to burn (colloquial)
neuken ficken to fuck
13. de vork die Gabel fork
de mestvork die (Mist)Forke dung fork
14. gebruiken benutzen to use
nodig hebben (ge)brauchen to need
15. gekocht gekauft bought
gekookt gekocht cooked
16. de godsdienst die Religion religion
de kerkdienst der Gottesdienst (church) service
17. het hek der Zaun fence
de heg die Hecke hedge
18. het jacquet das Cutaway morning coat
het colbert das Jackett jacket
19. de kachel (de oven) der Ofen stove, oven
de tegel die Kachel (die Fliese) tile
20. het kamp das Lager camp
het gevecht der Kampf fight
21. de kerel der Mann man, fellow
de vent der Kerl "customer", fellow (negative sense)
22. knap hübsch; fähig handsome; intelligent
krap, schaars knapp scarce
23. knorren grunzen to grunt (of a pig, swine)
grommen knurren to gnarl (of a dog)
24. kruis die Schamgegend crotch, groin
de onderrug das Kreuz lower back, spine
het kruis das Kreuz cross
25. schilderen, verven malen to paint
malen mahlen to grind
26. de zee das Meer (North Germany: die See) sea
het meer der See lake
27. de mest der Mist dung, manure
de mist der Nebel fog
de nevel der Dunst mist, haze
28. net, netjes ordentlich, anständig neat, decent
aardig nett nice
braaf artig well-behaved, obedient
29. onbeleefd unhöflich impolite
levenloos, doods unbelebt deathlike, deathly
30. (on)geschikt (un)geeignet (un)suitable
(on)handig (un)geschickt (un)skilful, clumsy
31. overhalen überreden to persuade
inhalen überholen to overtake
inhalen nachholen to catch up with
inhalen einholen to outrun
32. overleggen beratschlagen to consult
nadenken überlegen to consider
33. pleite futsch gone (colloquial)
failliet pleite bankrupt
34. proeven schmecken to taste
testen prüfen to test
35. de rente die Zinsen interest (on a loan, debt)
het pensioen die Rente retirement
het pension die Pension guest house
36. schoon sauber clean
mooi schön beautyful
37. zwoel schwül sultry
homoseksueel schwul gay
38. zielig jämmerlich, bedauernswert pitiful
zalig seelig holy, heavenly
39. het touw das Seil rope
het zeil das Segel sail
40. zeldzaam, zelden selten rare
vreemd, raar seltsam strange, funny
41. de slag die Schlacht battle
de slacht die Schlachtung slaughter
de slag der Schlag beat, hit
42. slim schlau, klug smart
erg, naar schlimm bad
43. de soort die Art species (biological)
de soort die Sorte kind, category
de aard die Art nature
44. moeten sollen must
zullen werden to become; will/ shall
45. stoer stramm, gewaltig, heftig cool, mighty, tough
eigenwijs, tegendraads stur stubborn
46. varen schiffahren sail, "travel by boat"
rijden fahren to drive
47. veilen versteigern to sell by auktion
vijlen feilen to file
48. aannemen (een wet) verabschieden (ein Gesetz) to pass (a law, an act)
afscheid nemen sich verabschieden to say goodbye
49. verzoeken bitten, wünschen to request
proberen versuchen to try
50. vies schmutzig dirty
gemeen fies nasty
51. vogelen Vögel beobachten to watch birds
vozen, flikvlooien, vrijen vögeln to pet, to cuddle, to make love
52. vol satt satisfied (after a meal)
zat voll drunk
53. wassen waschen to wash
groeien wachsen to grow
54. de winkel der Laden shop
de hoek der Winkel corner
55. het hoofd der Kopf head
de plaats, het erf der Hof yard
Personal tools

« Return to the main site