Development
Extras
Register
Log in

Word order in Dutch

A.J.A. van Bladel

The usual word order is (1)subject - (2)verb: (1) ik (2)heb morgen rijles, but in sentences beginning with an adverbial adjunct or a subclause we have inversion:
Morgen (2)heb (1)ik rijles. Omdat (1)ik rijles (2)heb, (2)rijd (1) i k nu beter.

In the main clause: usual word order; main clauses may be joined with 'en,maar,want' : Ik heb geen tijd, (want (1)ik (2)heb rijles
In a subclause e.g. with the conjunctions 'omdat, als, hoewel') the predicate moves towards the end : Ik rijd nu beter, (omdat (1)ik rijles (2) heb

After the conjunction 'al' there is also inversion: (1)Ik (2)rijd niet beter, al (2) heb (1)ik rijles =Hoewel/ofschoon (1)ik rijles (2)heb, (2)rijd (1) ik niet beter.
(After a clause with 'al', the main clause has no inversion: Al (2)heb (1)ik rijles, (1)ik (2)rijd niet beter)

Woordvolgorde in het Nederlands

De gewone volgorde is (1)onderwerp - (2)persoonsvorm: (1) ik (2) heb morgen rijles, maar in zinnen die beginnen met een bijwoordelijke bepaling of bijzin, krijgen we inversie:
Morgen (2)heb (1)ik rijles. Omdat (1)ik rijles (2) heb, (2)rijd (1) ik nu beter.

In een hoofdzin: gewone volgorde; hoofdzinnen kunnen gekoppeld worden door 'en, maar, want' : Ik heb geen tijd, (want (1)ik (2)heb rijles
In een bijzin (bijvoorbeeld met de voegwoorden 'omdat, als, hoewel') gaat de persoonsvorm naar achteren: Ik rijd nu beter, (omdat (1)ik rijles (2) heb

Na het voegwoord 'al' ook inversie: (1)Ik (2)rijd niet beter, al (2)heb (1)ik rijles =Hoewel/ofschoon (1)ik rijles (2) heb, (2)rijd (1) ik niet beter.
(Na een bijzin met 'al' heeft de hoofdzin echter geen inversie: Al (2)heb (1)ik rijles, (1)ik (2)rijd niet beter)

Oefening A

Geef het werkwoord de juiste vorm en zet het op de juiste plaats. (b.v. ..., maar ik neem rijles/..., dan neem ik rijles/ ..., als ik rijles neem)

1 Ik (trein nemen) naar Utrecht en (ik gaan) daar met de bus naar huis.
2 Ik (met trein gaan) naar Utrecht en daar (ik nemen) de bus naar huis.
3 Ik (het bruidspaar feliciteren) en (ik iets drinken gaan) daarna.
4 Ik (het bruidspaar feliciteren) en daarna (ik iets drinken gaan).
5 Morgen (wij vrij hebben) en (wij een dagje uitgaan).
6 Wij (vrij hebben morgen) en (wij nu alvast plannen maken gaan).
7 Als (ik hard gewerkt hebben de hele dag), dan ... .... erg moe.
8 Ik (hard gewerkt hebben de hele dag), maar ... .... niet erg moe.
9 Omdat (ik de hele dag hard gewerkt hebben), ... .... erg moe.
10 Ik (de hele dag hard gewerkt hebben) en (erg moe).
11 Ik (even willen nu rusten), omdat (ik erg moe).
12 Ik (even willen zou nu rusten), want (ik erg moe).
13 Ik (even willen nu rusten), al (ik niet erg moe).
14 Ik (even willen nu rusten), hoewel (ik niet erg moe).
15 (ik volgen cursus Nederlands) omdat (ik willen Nederlands leren).
16 (ik volgen cursus Nederlands) want (ik willen Nederlands leren).
17 (ik zullen moeten naar de garage) omdat (zijn er problemen met mijn auto).
18 (ik zullen moeten naar de garage) want (zijn er problemen met mijn auto).
19 Als het regent (straten - nat).
20 (straten niet nat) al (geregend).

Oefening B

Voorbeeld: Ik kom morgen. Hij zegt dat hij morgen komt. Morgen komt hij.
Doe hetzelfde met:

1 Dat is niet waar. Hij zegt .... Geenszins .... (geenszins = not at all)
2 Ik heb hem gisteren gezien. Hij zegt ... Gisteren ...
3 Ik ..... Hij zegt dat hij morgen naar Amsterdam gaat. Morgen ...
4 Zij vertelt niet de volle waarheid. Hij vraagt of .... Waarom .... ?
5 Dit is de laatste zin van deze oefening. Ik hoop ... Van deze oefening ....

Oefening C

Maak deze zinnen af. Voorbeeld: Als ... naar de bioscoop ..., dan ... 2e voorstelling. Als ik naar de bioscoop ga, dan neem/pak ik de 2e voorstelling.

1 Als ... naar een cursus Nederlands ..., dan... boek, pen en papier ...
2 Als ... receptie ..., ... nette kleren ...
3 Als ... 's avonds 8 uur ..., dan ... het televisiejournaal.
4 Als ... Utrecht ..., ... met de trein.
5 Als ... moeilijkheden met mijn auto ..., dan ... naar de garage.
6 Als ... opbellen, ... mijn mobieltje.
7 Als ... boodschappen ..., dan ... een paar pakjes chips voor je.
8 Als ... ziek ..., dan ... de dokter.
9 Als... regent, ... niet naar buiten.
10 Als je geen geld meer ..., ... van mij lenen.
11 Als ... zaterdagavond bij mij op bezoek ..., ... voor het eten eerst een glaasje sherry. Goed?
12 Als je het bruidspaar gefeliciteerd ..., ... je iets drinken.
13 Als de film al begonnen ..., ... je niet meer naar binnen.
14 Als je de hele dag hard gewerkt ..., dan ... je moe.
15 Als het geregend ..., dan ... de straten nat.

Oefening D

Maak een complete zin met gebruik van de woorden tussen haakjes, aangevuld met een hulpwerkwoord (zijn/worden/hebben) in de juiste tijd en op de juiste plaats. Denk aan de inversie.

1 Toen het regende (straten - nat)
2 Toen het geregend had (straten - nat)
3 Als het morgen regent (straten - nat)
4 Als het straks gaat regenen (straten - nat)
5 Als het morgen geregend heeft (straten - nat)
6 Als het morgen zou regenen (straten - nat)
7 Als het geregend had (straten - nat)
8 Als het morgen regende (straten - nat)
9 De straten zijn niet meer nat (al hard regenen)
10 De straten zijn niet meer nat (hoewel hard regenen)
11 De straten zijn nat doordat (hard regenen)
12 De straten zijn nat want (hard regenen)

Oefening E

Maak een correcte zin (werkwoord in de juiste vorm zetten)

1 ik niet auto kunnen kopen omdat ik niet hebben geld
2 jij niet auto kunnen kopen want jij niet hebben geld
3 hij niet auto gaan kopen al hij genoeg hebben geld
4 wij niet auto gaan kopen hoewel wij genoeg hebben geld
5 ik auto gaan kopen als ik genoeg hebben geld
6 buren auto gaan kopen want genoeg hebben geld

Oefening F

Zet in de goede volgorde

1 beter boek dan deze film het ik vind
2 boek dan dat de film het hij hij mooier vond zei
3 appels deze hoeveel kosten kilo per?
4 bed de en het hoeveel kast kostte vroeg zij
5 cabaretier deze de geweldig genoten hebben het in mooie optreden schouwburg van van verrassende we.

***

Antwoorden op de Oefeningen

Oefening A

1 Ik neem de trein naar Utrecht en ik ga daar met de bus naar huis.
2 Ik ga met de trein naar Utrecht en daar neem ik de bus naar huis.
3 Ik feliciteer het bruidspaar en ik ga iets drinken daarna.
4 Ik feliciteer het bruidspaar en daarna ga ik iets drinken.
5 Morgen hebben wij vrij en gaan wij een dagje uit.
6 Wij hebben morgen vrij en wij gaan nu alvast plannen maken.
7 Als ik de hele dag hard gewerkt heb, dan ben ik erg moe.
8 Ik heb de hele dag hard gewerkt, maar ik ben niet erg moe.
9 Omdat ik de hele dag hard gewerkt heb, ben ik erg moe.
10 Ik heb de hele dag hard gewerkt en ik ben erg moe.
11 Ik wil nu even rusten, omdat ik erg moe ben.
12 Ik zou nu even willen rusten, want ik ben erg moe.
13 Ik wil nu even rusten, al ben ik niet erg moe.
14 Ik wil nu even rusten, hoewel ik niet erg moe ben.
15 Ik volg een cursus Nederlands omdat ik Nederlands wil leren.
16 Ik volg een cursus Nederlands want ik wil Nederlands leren.
17 Ik zal naar de garage moeten (gaan) omdat er problemen zijn met mijn auto.
18 Ik zal naar de garage moeten, want er zijn problemen met mijn auto.
19 Als het regent, worden de straten nat.
20 De straten zijn niet nat, al heeft het geregend.

Oefening B

1 Dat is niet waar. Hij zegt DAT DAT NIET WAAR IS; Geenszins IS DAT WAAR (geenszins = not at all)
2 Ik heb hem gisteren gezien. Hij zegt DAT HIJ HEM GISTEREN GEZIEN HEEFT; Gisteren HEEFT HIJ HEM GEZIEN
3 Ik GA MORGEN NAAR A'DAM; Hij zegt dat hij morgen naar Amsterdam gaat. Morgen GAAT HIJ NAAR A'DAM
4 Zij vertelt niet de volle waarheid. Hij vraagt of ZIJ DE VOLLE WAARHEID VERTELT; Waarom .... VERTELT ZIJ DE VOLLE WAARHEID NIET?
5 Dit is de laatste zin van deze oefening. Ik hoop DAT DIT DE LAATSTE ZIN VAN DEZE OEFENING IS; Van deze oefening IS DIT DE LAATSTE ZIN

Oefening C

1 Als je naar een cursus Nederlands gaat, dan moet je boek, pen en papier meenemen.
2 Als je bij receptie werkt, moet je nette kleren aantrekken.
3 Als het 's avonds 8 uur is , dan kijk ik naar het televisiejournaal.
4 Als ik naar Utrecht moet, ga ik met de trein.
5 Als ik moeilijkheden met mijn auto heb, dan breng ik hem naar de garage.
6 Als ik moet opbellen, bel ik met mijn mobieltje.
7 Als ik boodschappen doe, dan koop ik een paar pakjes chips voor je.
8 Als ik ziek ben, dan ga ik naar de dokter.
9 Als het regent, ga ik niet naar buiten.
10 Als je geen geld meer hebt,mag je van mij lenen.
11 Als je zaterdagavond bij mij op bezoek komt, drinken we voor het eten eerst een glaasje sherry. Goed?
12 Als je het bruidspaar gefeliciteerd hebt, kun je iets drinken.
13 Als de film al begonnen is, mag je niet meer naar binnen.
14 Als je de hele dag hard gewerkt hebt, dan ben je moe.
15 Als het geregend heeft, dan zijn de straten nat.

Oefening D

1 Toen het regende had waren de straten nat.
2 Toen het geregend had waren de straten nat.
3 Als het morgen regent worden de straten nat.
4 Als het straks gaat regenen zullen de straten nat worden. Ook: ... worden de straten nat.
5 Als het morgen geregend heeft zijn de straten nat./zullen de straten nat zijn.
6 Als het morgen zou regenen zouden de straten nat zijn. Of: zouden de straten nat worden/werden/waren de straten nat.
7 Als het geregend had zouden de straten nat zijn. of: Als het geregend had waren de straten nat.
8 Als het morgen regende werden/waren de straten nat/zouden de straten nat worden/zijn
9 De straten zijn niet meer nat al heeft het hard geregend.
10 De straten zijn niet meer nat hoewel het hard heeft geregend.
11 De straten zijn nat doordat het hard heeft geregend.
12 De straten zijn nat want het heeft hard geregend.

Oefening E

1(a) Ik kan de auto niet kopen omdat ik het geld niet heb. (b) Ik kan geen auto kopen omdat ik geen geld heb. (a) verwijst naar een bepaalde auto, waarvoor jij het geld niet hebt. (b) naar auto in het algemeen.
2 Jij kunt geen auto kopen want jij hebt geen geld.
3 Hij gaat geen auto kopen al heeft hij genoeg geld.
4 Wij gaan de auto niet kopen hoewel wij genoeg geld hebben.
5 Ik ga een auto kopen als ik genoeg geld heb.
6 De buren gaan een auto kopen want ze hebben genoeg geld.

Oefening F

1 Ik vind deze film beter dan het boek.
2 Hij zei dat hij het boek mooier vond dan de film .
3 Hoeveel kosten deze appels per kilo?
4 Zij vroeg hoeveel de kast en het bed kostte.
5 We hebben geweldig genoten van het verrassende optreden van deze cabaretier in de mooie schouwburg .